Geluid weetjes

VERKLARENDE WOORDENLIJST GELUIDTECHNIEK:

AARDING: verbinden van nul potentiaal van apparaat met aarde, ingeval van kortsluiting vloeit stroom naar aarde weg en zal de zekering door overbelasting doorslaan.

AARDLUS: aarding van twee of meer apparaten in een keten waardoor brom kan ontstaan.

AC: Alternating Current, wisselstroom waarbij de polariteit met 50 (Europa) of 60 (USA) maal per seconde wisselt.

ACOUSTISCHE TERUGKOPPELING: ook wel feedback genoemd, fluitend geluid dat ontstaat door verkeerde plaatsing van microfoons in de nabijheid van luidsprekers en/of een te hoog geluidsvolume.

AFL: after fade listening, afluistering van signaal na de kanaalfader.

ACTIEF FILTER: scheidingsfilter dat dmv actieve elektronische schakeling het signaal in verschillende frequentiegebieden opsplitst.

ACTIEVE VERSTERKING: versterking waarbij het signaal voor de eindversterkers wordt opgesplitst in verschillende frequentiegebieden om dan aan gescheiden eindversterkers en luidsprekers te worden toegevoegd.

AUX SEND: auxiliairy send, aftakking op ingangskanaal van mengtafel naar externe effectapparatuur, monitorversterker, etc.

BANDBREEDTE: frequentieomvang.

BASREFLEX: luidsprekerbehuizing waarbij via een berekende opening in de kast de beweging van de luidspreker door de luchtkolom in de kast wordt geladen waardoor de laagweergave met ongeveer een halve octaaf wordt uitgebreid.

BAUD SNELHEID: snelheid waarmee digitale informatie wordt overgeseind.

BELASTBAARHEID: hoeveelheid spanning die een elektrisch systeem kan verdragen.

BOVENTOON: veelvoud van grondtoon (eerste harmonische). Vormen samen met grondtoon het klankspectrum dat karakteristiek is voor een bepaald geluid.

BROM: brommend stoorsignaal met een frequentie van 50 Hz en harmonischen daarvan (100 en 150 Hz) ontstaan door slechte afscherming, slechte aarding, aardlussen, etc.

BYPASS: lett. passeren, meestal schakelfunctie waarmee in- en uitgang van een apparaat worden gekoppeld.

CARDIOIDE: niervormige richtingskarakteristiek, geluid van opzij en achteren wordt verzwakt of nauwelijks weergegeven.

CLIPPING: het afsnijden van signaalpieken in een elektronisch circuit als gevolg van overssturing.

COMPANDER: combinatie van compressor en expander, veel gebruikt in ruisonderdrukkingssystemen.

COMPRESSOR: spanningsgestuurde versterker, wordt gebruikt om volumevariaties in een signaal te egaliseren en signaalpieken te verwijderen.

CONDENSATORMICROFOON: hoogwaardige en daardoor kostbaar microfoontype waarbij het membraan één van de condensatorplaten vormt. Door geluidstrillingen ontstaat in die condensator een wisselende capaciteit die door een versterker in spanning wordt omgezet. Externe gelijkspanningsvoeding is noodzakelijk.

CROSS-OVER: scheidingsfilter.

DC: Direct Current, gelijkstroom

DECAY: volumeverloop tussen attack-fase en sustain-fase.

DECIBEL: afgekort dB, kleinste verandering die het menselijk gehoor kan waarnemen. Is een logaritmische eenheid waarmee de verhouding tussen twee spanningen of geluidsdrukken wordt aangegeven. Heeft alleen een relatieve en geen absolute betekenis.

DELAYTIJD: vertragingstijd, meestal uitgedrukt in milliseconden.

DI-BOX: Direct Injection, aanpassingskastje waarmee muziekinstrumenten met een ongebalanceerde (hoogohmige) uitgang direct op een mengtafelingang kunnen woorden aangesloten. (o.a. 1:1 trafo, aardliftschakelaar).

DIGITAAL: wijze van aanduiding van grootheden en waarden volgens het tweetallig stelsel waarbij alleen enen en nullen worden gebruikt. Trapsgewijze aanduiding, tussenliggende waarden zijn niet mogelijk.

DIGITALE DELAY: vertragingslijn waarbij inkomend signaal in digitale code wordt omgezet, vertraagd en daarna weer naar analoog signaal wordt terugvertaald.

DIRECT OUT: uitgang op mengtafelingang waarop het binnenkomende signaal (direct) weer naar buiten komt.

DOLBY B: enkelbands ruisonderdrukkingssysteem van Dolby Laboratories, compandersysteem dat een maximale ruisonderdrukking van ongeveer 9 dB geeft. Wordt veel toegepast in hifi.

DOLBY C: ruisonderdrukkingssysteem van Dolby Laboratories, tweebandig compandersysteem met een maximale ruisonderdrukking van ongeveer 20 dB. Wordt veel in hifi en semi-pro opnameapparatuur toegepast.

DUCKING: lett. bukken, techniek waarbij mbv. compressors het ene signaal automatisch wordt verzwakt als het andere sterker wordt.

DYNAMIEK: verschil zachtste en hardste geluid, meestal achtergrondruis en punt waar 3% vervorming optreedt.

DYNAMISCH: lett. beweeglijk, aanduiding voor principe waarbij een spoel in een magnetisch veld wordt toegepast.

DYNAMISCHE MICROFOON: microfoon die geluidstrillingen omzet in elektrische spanning via een in een magnetische veld opgehangen spoel die aan een membraan vastzit.

EARLY REFLECTION: apart hoorbare echo’s die voor de galm uitkomen en die veroorzaakt worden door grote reflecterende oppervlakte in een ruimte.

EFFECT SEND: aftakking in mengtafel of versterker ingang waarmee signaal naar in- of externe effect processor gestuurd kan worden, ook wel aux-send genoemd.

EFFECT-LOOP: combinatie van effect send- en return, aansluiting voor externe effectapparaten.

EFFECT-RETURN: ingang op de mengtafel om het effect-send signaal na bewerking bij het masteruitgangssignaal te kunnen mengen, ook wel aux-return genoemd.

EQ: afkorting van equalizer of equalisation, dwz. toonregeling cq. klankaanpassing.

EQUALIZER: toonregeling.

EXPANDER: schakeling die dynamiek in signaal versterkt. Wordt veelal in combinatie met compressor gebruikt (compander) als ruisonderdrukkingssysteem.

FANTOOMVOEDING: (phantompower) gelijkspanningsvoeding van 24, 48, of 52 Volt voor condensatormicrofoon/ DI-box die via de microfoonkabel wordt toegevoerd. (Waarom fantoom? omdat het spook spanning is en de spanning die de microfoon/DI-box door de kabel voert de spook spanning niet ziet en dus niet beïnvloed).

FASE-VERSCHUIVING: verschil in fase tussen twee signalen of tussen verschillende frequenties in een signaal.

FEEDBACKLOOP: terugkoppeling van uitgang naar ingang.

FEEDBACK: terugkoppeling van bewerkt signaal naar input, of van signaal uit luidspreker naar microfoon (rondzingen).

FOLDBACK SEND: aftakking in mengtafel waarmee signaal naar een aparte somgroep kan worden gestuurd waardoor muzikanten het ingangssignaal via koptelefoon of monitors kunnen horen tijdens het spelen of opnemen. (zie ook aux-send).

FOLDBACK: lett. terugvouwen, het terugsturen van ingangssignalen van mengtafel naar muzikant.

FREQUENTIE MODULATIE: door de Amerikaan John Chowning uitgevonden wijze van klanksynthese waarbij sinusvormige signalen elkaar moduleren waardoor boventonen ontstaan…

FREQUENTIE: aantal trillingen per seconde uitgedrukt in Hertz (Hz).

GAIN: versterking.

GAIN POTMETER: potmeter waarmee de versterkingsfactor wordt ingesteld.

GAIN REDUCTIE: volume vermindering.

GALMVEER: slappe metalen veer, opgehangen tussen een driver- en een pich-up element, levert galmsignaal als er een signaal doorheen wordt gestuurd. Goedkoop en wordt daarom veel toegepast in combiversterkers, electr orgels, Fender Twin versterkers etc.

GATE: noise gate, lett poort, schakeling die alleen signalen boven het ingestelde drempelniveau doorlaat.

GATED REVERB: galmeffect dat ontstaat door het galmsignaal door een noise gate te sturen.

GEBALANCEERD: wijze van signaaloverdracht waarbij de in- en uitfase componenten van het signaal gescheiden worden gebruikt om inwerking van stoorsignalen te voorkomen of te verminderen.

GELUIDSDRUK: hoeveelheid geluid in dB ten opzichte van 20 microPascal (Pascal Newton per m2) referentiedruk.

GELUIDSSNELHEID: snelheid waarmee geluidsgolven zich verplaatsen, 343 per seconde (bij 20 graden C).

GEVOELIGHEID: benodigde hoeveelheid Watts of Volts om bepaalde geluidsdruk op bepaalde afstand van luidspreker te behalen, of om bepaald versterkingsniveau te bereiken, uitgedrukt in dB.

GRONDTOON: eerste harmonische, laagste frequentie in samengestelde toon die de toonhoogte bepaald.

GROUND-LIFT: schakelaar waarmee de aarding van het apparaat kan worden opgeheven.

HALL: aanduiding voor galmeffect van zaal/hal.

HIGH-DENSITY: hoge dichtheid, aanduiding voor groot aantal reflecties in galmsignaal.

HIGH-PASS FILTER: filter dat alleen frequenties boven de afsnijfrequentie doorlaat, ook wel Low-cut genoemd.

IC: integrated Circuit, geïntegreerde schakeling.

IMPEDANTIE: elektrische weerstand.

INFINITE REVERB: kunstmatig galmeffect met een oneindige uitsterftijd.

INGANGSGEVOELIGHEID: vereiste ingangsspanning om de nominale versterking te bereiken.

INGANSIMPEDANTIE: inwendige weerstand van versterking.

INSERTIEPUNT: onderbrekingspunt in de mengtafel waarop externe apparatuur kan worden aangesloten. Gate, compressor, eq., etc.

INTERVAL: afstand tussen twee noten.

INVERTEREN: van polariteit veranderen.

KANAALSCHEIDEING:  ook wel oversspraakdemping of channel separation, verschil in dB tussen het gewenste signaal en het stoorsignaal dat door overspraak van een ander signaal ontstaat.

KANTELFREQUENTIE: overname frequentie in scheidingsfilter.

KEY-VELOCITY: aanslaggevoeligheid.

LED: Light Emitting Diode, gloeit op naarmate spanning hoger is.

LF-signaal: laagfrequent signaal.

LFO: Laag Frequent Oscillator, wekt lage frequenties op tot 30 Hz die meestal gebruikt worden als modulatiesignaal.

Limiter: spanningsgestuurde versterker, wordt gebruikt om signaalpieken boven de ingestelde drempelwaarde te elimineren.

Low pass filter: filter dat alleen frequenties lager dan de afsnijdfrequentie doorlaat.

Low-cut filter: laag-af filter.

Master keyboard: aanduiding voor Midi klavier zonder eigen klankopwekking dat gebruikt wordt in combinatie met losse expanders (synthesizer of klankbron zonder toetsen).

Microprocessor: IC of geïntegreerde schakeling met bepaalde rekenkundige functie.

Midi: Musical Instruments Digital Interface, aansluiting waarmee synthesizers, sequencers, (drum)computers en andere elektronische apparaten met elkaar kunnen communiceren.

Nominaal niveau: referentie niveau.

Octaaf: interval van acht tonen, of frequentie-interval van een factor 2. Bijv. 20 tot 40 Hz, 1000 tot 2000 Hz.

Oscillator: elektrische schakeling die signaal met bepaalde frequentie opwekt.

Overload: overssturing.

Overspraak: mate waarin twee signalen in naastliggende kanalen of sporen elkaar beïnvloedt.

Oversturen: meer spanning toevoeren aan een schakeling dan voor het bereiken van nominale versterking nodig is. Meestal met vervorming als resultaat.

Panning: plaatsing van signaal in stereobeeld.

Panpot: panorama potmeter, potmeter waarmee verdeling van signaal over linker- en rechter kanaal wordt ingesteld.

Parameter: instelmogelijkheid.

Parametrische equalizer: toonregeling waarvan volume, centerfrequentie en bandbreedte variabel zijn.

Passief systeem: versterkingssysteem waarbij het signaal pas na de eindversterkers d.m.v. passieve componenten (spoelen en condensatoren) wordt gesplitst in verschillende frequentiegebieden.

Peak-hold: vasthouden van signaalpieken bij piekmeters.

PFL: Pre Fade Listening, momentschakelaar waarmee je inkomend of uitgaand signaal “voor de fader” kunt afluisteren.

Pijngrens: geluidsniveau waarbij geluid als pijnlijk wordt ervaren, ligt bij 120 tot 130 dB in het middelste frequentiegebied.

Pink noise: roze ruis, ruis waarvan de energie-inhoud per octaaf gelijk is.

Pitch-bend: stemmingsbuiging.

Pitch-shifter: schakeling die stemming van inkomend signaal verhoogd of verlaagd, ook wel harmonizer genoemd.

Potmeter: afkorting van potentiometer, variabele weerstand.

Pre-delay: vertragingstijd voordat het effect hoorbaar wordt.

Pre/post fader: voor/na de kanaalfader.

Proximity-effect: nabijbesprekingseffect dat ontstaat bij richtingsgevoelige (cardiode) microfoons en waardoor lage frequenties versterkt worden weergegeven wanneer de microfoon dicht op de geluidsbron wordt geplaatst. Ook wel “plop-effect” genoemd.

Q-factor: quality, bandbreedte-instelling bij parametrische equalizer.

Ram-geheugen: Random Access Memory, geheugen waarin zowel informatie kan worden opgeslagen als weggehaald.

Release: uitsterven van geluid.

Remix: afmixen van meersporenband naar tweesporen (stereo) master.

Rendement: percentage van het aan het geluidsysteem toegevoegde vermogen dat in akoestische energie wordt omgezet. Wordt meestal aangegeven in dB bij 1 Watt input op 1 meter afstand gemeten.

Resonantie-frequentie: frequentie waarop het membraan of conus natrillen.

Reverb send: aftakking in ingangskanaal van mengtafel waarmee signaal naar in- of externe reverb gestuurd kan worden.(Zie ook Aux-send).

Reverb: nagalm, weerkaatsing van geluid in een ruimte waarbij zoveel reflecties ontstaan dat ze niet meer apart te onderscheiden zijn.

Reverse gate: aanduiding voor galm effect dat omgekeerd is van gate reverb, het geluid zwelt langzaam aan om plotseling af te kappen.

Reverse reverb: omgekeerde galm, dwz. galm bouwt langzaam op om dan plotseling uit te sterven.

RMS: Root Mean Square, gemiddelde vesterkervermogen of luidsprekerbelasting.

Routing: sturen van ingangssignalen van een mengtafel naar sub-groepen en/of uitgangen.

S/N verhouding: signaal/ruis verhouding, verschil in dB tussen een gegeven signaalniveau en achtergrond ruis afkomstig van elektronische schakelingen, geluidsband ect.

Sample: bepaald geluid met beperkte tijdsduur in digitale vorm.

Sampling frequentie: snelheid in kHz waarmee analoog signaal in digitale code wordt omgezet.

Scheidingsfrequentie: overgangsfrequentie tussen twee frequentiegebieden in scheidingsfilter.

Sensitivity: gevoeligheid, benodigde hoeveelheid spanning of signaal die nodig is om een bepaald uitgangssignaal te verkrijgen.

Sequencer: electronisch geheugen voor synthesizers

Shelving equalizer: toonregeling die boven of onder bepaalde frequentie signalen even sterk beïnvloed.

Sinusgolfvorm: golfvorm bestaande uit alleen een grondtoon. Elke geluidstrilling, ongeacht de harmonische inhoud is opgebouwd uit een aantal sinusgolfvormen.

Solo: voorziening op mengtafel waarmee elk inkomend of uitgaand signaal apart kan worden afgeluisterd (zie PFL.en AFL.)

SPL.: Sound Pressure Level, geluidsniveau in dB.

Step write: noot voor noot programmeren.

Subgroep: somgroep in mengtafel waar ingangssignalen kunnen worden samengevoegd.

Sustain: lett. doorklinken.

Sweep equalizer: toonregeling waarvan de centerfrequentie (de frequentie waarop geregeld wordt) variabel is.

Talk-back: voorziening op mengtafel om in- of externe microfoon te kunnen schakelen teneinde communicatie mogelijk te maken.

Treble: hoge tonen.

Tweeter: hoge tonen luidspreker.

Uit-fase: positieve en negatieve component van signaal zijn precies tegengesteld, bij samenvoegen heffen ze elkaar dan ook op.

Uitgangsimpedantie: inwendige weerstand van een versterker, dient “lager” te zijn dan de ingangsimpedatie van de aangesloten component (luidspreker, vervolgversterker, ect.).

VCA: Voltage Controlled Amplifier, spanningsgestuurde versterker.

Velocity: aanslaggevoeligheid.

Vermogen: energie per tijdseenheid uitgedrukt in Watt, kwadraat van de effectieve spanning gedeeld door de belastingsweerstand.

Vibrato: effect dat ontstaat door snelle toonhoogte variaties.

Vu-meter: volume unit meter, aanwijsinstrument dat signaalsterkte aangeeft.

Watt: eenheid van elektrisch vermogen.

XLR: standaard in audio-industrie gebruikte driepolige connector.

© by Dx007 1995